Er blijkt nog steeds verwarring te zijn over de eisen waaraan brandtrappen moeten voldoen. Geregeld wordt er door bouw- en woningtoezichten en/of brandweer gesteld dat bijvoorbeeld een brandtrap geen spiltrap mag zijn. Het Bouwbesluit is redelijk duidelijk hoe met deze problematiek moet worden omgegaan. In de eerste plaats geeft het Bouwbesluit aan dat tussen een aantal met name genoemde ruimten en de vloeren van deze ruimten en het aansluitende terrein moeten worden overbrugd door een trap of hellingbaan (zie art. 4 en 176 BB).
Als basiseis geldt dat woongebouwen over twee onafhankelijke vluchtwegen moeten beschikken. Een van deze vluchtroutes gaat vaak over een brandtrap buiten het gebouw. Zeker is dat hiermee hoogteverschillen worden overbrugd naar het aansluitende terrein conform art. 4 en art. 176 van het Bouwbesluit zodat trappen en hellingbanen bij nieuwbouw aan de eisen van art. 5 resp. art. 177 van het Bouwbesluit moeten voldoen.
Afhankelijk van de op de trap aangewezen gebouwen, moet de trap worden uitgevoerd als een zogenaamde "A-trap" of "B-trap" conform tabel II van het Bouwbesluit.
Zodra een trap is voorgeschreven (soms vanwege het ontvluchten) is voor woningen en woongebouwen een "A-trap" het minimum en is een "B-trap" pas vereist bij het ontsluiten van en een woning groter dan 500 m2 (megawoning) of het ontsluiten van een woongebouw (2 redenen).
Bij de niet tot bewoning bestemde gebouwen liggen de eisen net tegenovergesteld. Een noodzakelijk aanwezige trap moet minimaal een "B-trap" zijn, tenzij de trap geen deel uitmaakt van een toegankelijkheidssector of het te ontsluiten gebouw een gebruiksoppervlakte heeft van minder dan 500 m2, waarin geen toegankelijkheidssector is gelegen.
Aangezien brandtrappen überhaupt niet zijn bestemd voor de ontsluiting van een gebouw en veelal ook geen deel uitmaken van een toegankelijkheidssector mag in het algemeen met een "A-trap" dus ook een spiltrap worden volstaan.
De toelichting bij artikel 5 van het Bouwbesluit is ook heel duidelijk t.a.v. deze problematiek. Bij "B-trappen" wordt in het algemeen rekening gehouden dat deze gelijktijdig en in twee richtingen zal worden gebruikt en dat onder deze omstandigheden de gebruikers van die trappen elkaar moeten kunnen passeren. Dit is ook het geval bij trappen in een toegankelijkheidssector. Omdat een "B-trap" een minimum breedte van 0,17 m moet hebben zal een "B-trap" geen spiltrap kunnen zijn.
Voor het ontsluiten van een gebouw zal boven een bepaalde hoogte boven het aansluitende terrein (1,5m), zorg moeten worden gedragen dat eerstgenoemde trap in een besloten ruimte (regenwerend) is aangebracht. Brandtrappen zijn niet bedoeld voor de ontsluiting van het gebouw en behoeven dus niet aan deze eis te voldoen. De brandtrap mag uiteraard wel in een besloten ruimte worden geprojecteerd.
Toch zwaardere eisen aan brandtrappen? Bij niet tot bewoning bestemde gebouwen kan het voorkomen dat een "A-trap" als brandtrap toch niet voldoende is. Het Bouwbesluit geeft in art. 190 de mogelijkheid voor zwaardere eisen met betrekking tot de vluchtmogelijkheden, omdat deze zodanig moeten worden uitgevoerd dat deze doeltreffend en voldoende veilig moeten zijn.
Voor kantoren en logiesverblijven en logiesgebouwen zijn er in artikel 236 lid 7 resp. art. 261 lid 7) eisen gesteld met betrekking tot de opvang- en doorstroomcapaciteit voor ruimten waarin een trap is gelegen waarover een vluchtmogelijkheid voert. Hierdoor kan het voorkomen dat niet aan de minimum eisen van een "A-trap" kan worden volstaan.
|